Verklaring der plaat

Pieter van den Berge, Titelprent bij Purgat & Ornat [pseud. van Hendrik van Halmael], ’t Schijnheylig Weeuwtje, Amsterdam 1711 Pieter van den Berge, Titelprent bij Purgat & Ornat [pseud. van Hendrik van Halmael], ’t Schijnheylig Weeuwtje, Amsterdam 1711. Foto Koninklijke Bibliotheek

Na 21 blijspelen, voornamelijk over bedriegers van het mannelijk geslacht, vond de toneelschrijver Hendrik van Halmael (1654-ca. 1720) het tijd om de andere sexe, ‘die daar ook niet vrij van is’, als bedrieglijk op de planken te zetten. Hij bedacht ‘t Schijnheilig Weeuwtje, een blijspel over Cornelia, een jonge weduwe met een dubieuze levenswandel en haar vroegere vriend Jan, een ‘Oostindisvaarder’. Beide personages zijn uit hetzelfde, lichtzinnige hout gesneden, met dit verschil dat Cornelia haar aard door een dagelijkse kerkgang probeert te verhullen, terwijl Jan er juist mee te koop loopt. Hij is het prototype van een losbol, voor Van Halmael een mooie aanleiding om het spel op te luisteren met muziek en dans. Het publiek was daar bepaald niet vies van.
Hoe het eraan toeging toont de titelprent Pieter van den Berge (1659-1737), tekenaar-graveur en prentuitgever te Amsterdam. De scène speelt zich af in het huis van Cornelia, waar de ‘Oostindisvaarder’ kwam aankloppen zodra hij voet aan wal had gezet. Vastbesloten om de bloemetjes buiten te zetten, laat hij zijn knecht een stel muzikanten van de straat plukken. Cornelia’s aarzeling is van korte duur, Jans enthousiasme werkt zo aanstekelijk. Een bourrée, een courante, een ‘galjaartje op zijn oud Frans’, nog eens een bourrée – de muzikanten kunnen het nauwelijks bijbenen. Zij krijgen bovendien Jans scheldpartijen te verduren: ‘Jan Hagel’! Canalje! Vagebonden! Straatplagers! Hun werk zit erop als Jan en Cornelia besluiten om het feest in het ‘hoerhuis’ voort te zetten.
De prent zal de gespeelde toneelscène niet veel ontlopen, Pieter van den Berge hield zich meestal goed aan de tekst. Tegelijkertijd voldoet zijn werk als titelprent. Volgens Lairesse* (wiens schilderijen door Van den Berge in prent zijn gebracht) moet iedere titelprent dienen tot ‘Vermaak voor ieders oog, tot lof en eere des Schrijvers, nevens den Tekenaar, en het voordeel des Verkoopers.’

Met Cornelia liep het overigens niet best af. Als de schout, op zoek naar Jan, het hoerhuis betreedt, wordt zij letterlijk en figuurlijk ontmaskerd en naar het spinhuis afgevoerd. Haar ‘Oostindisvaarder’ is hem intussen gevlogen.

*Groot Schilderboek, Amsterdam 1712, p. 146

Eveline Koolhaas-Grosfeld

Startpagina

Contact

Disclaimer