|
Verklaring der plaat
Christiaan Andriessen (1775-1846), ‘12 jan. Wat staat u dat slegt’.
Tekening uit zijn dagboek, 1805-1808.
Collectie Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, Amsterdam.
Op een goede dag, 12 januari 1805 om precies te zijn, stapte de kunstenaar Christiaan Andriessen een van de Amsterdamse koffiehuizen binnen, gekleed in een lange koetsiersjas met pellerine, het nieuwste van het nieuwste op het gebied van mannenmode. Dat baarde enig opzien. ‘Wat staat u dat slegt’, is het plagende commentaar van een van de bezoekers. De oudere man met zijn achttiende-eeuwse, driekantige hoed tuurt demonstratief in zijn krant, immuun voor modieuze wuftheid. Andriessen, flaneur die hij was, kon zich wel amuseren met zulke kleinmenselijke trekjes. En zo leverde dit voorval weer een aardige tekening in zijn dagboek op. Op zijn bekende, vlotte manier tekende Andriessen rechts op het buffet een paar koffiekannen en achterin de ruimte de leestafel, net genoeg om te weten dat dit het interieur van een koffiehuis is. De Amsterdamse koffiehuizen lagen als een soort satellieten om het beursgebouw, hét bolwerk van wereldwijde mannelijke sociabiliteit. Zo had je op de Dam nr. 15 het Noord-Hollandse Koffiehuis, dat voornamelijk werd bezocht door handelaren en fabrikanten uit Zaandam, en op nr. 19 het Engelse Koffiehuis. Het Duitse Koffiehuis bevond zich aan het Rokin nr. 124, het Nieuwe Duitse Koffiehuis in de Beurssteeg nr. 93. Wat verder weg, Kalverstraat nr. 224, was het Franse Koffiehuis, waar Fransen, Italianen, Engelsen, speculanten en bankiers elkaar ontmoetten, en op nr. 240 het Amsterdamse Koffiehuis, waar voornamelijk geldwisselaars, hovelingen en joden kwamen.
Een reiziger in het Amsterdam van 1806-1812 vond de open sfeer in de Amsterdamse koffiehuizen een verademing, vergeleken bij de koffiehuizen in andere wereldsteden. In de Londense was het voor een vreemdeling niet uit te houden vanwege de nationale zelfingenomenheid, en in de Parijse deed niemand een mond open. Het zal wel te maken hebben met het open karakter van de Hollanders, schrijft hij, dat zij én over alles hun mening willen laten horen, én het de vreemde bezoeker graag naar zijn zin maken. De Hollanders kunnen zich bovendien redelijk goed uitdrukken in vreemde talen. ‘In een woord, men vindt hier in een kort begrip alles, wat ter verademing van het maatschappelijk leven kan verstrekken; jammer slechts dat de verteeringen zoo kostbaar zijn.’
Literatuur
[Anoniem], Reis door Holland in de jaren 1807-1812 (Amsterdam [1812]) 42 en 182.
I. H. van Eeghen, ‘In mijn journaal gezet’. Amsterdam 1805-1808. Het getekende dagboek van Christiaan Andriessen (Amsterdam, Alphen a/d Rijn) 1983.
P.G. Witsen Geysbeek, Tableaux d’Amsterdam (Amsterdam 1810).
E. Koolhaas-Grosfeld
|