Verklaring der plaat

J.J. Engel, De kunst van nabootzing door gebaarden. Plaat V uit J.J. Engel, De kunst van nabootzing door gebaarden. Met ophelderende plaaten, Haarlem, bij J. van Walré, 1790, 2 dln. Vertaling van de originele versie Ideen zu einer Mimik, 1785-1786, door J. Konijnenburg, voorzien van 26 prenten naar Johann Wilhelm Meil.

Bevalligheid, schoonheid, welvoeglijkheid , sierlijkheid – de regels voor de toneelspelers gaan over niets anders dan uiterlijkheden; de auteur van het bovengenoemde traktaat over de ‘schouwspeelkunst’, de Duitse filosoof en toneelliefhebber Johann Jacob Engel (1741-1802), heeft er geen goed woord voor over. Want hierdoor bewegen veel acteurs zich nog steeds op die ouderwetse, ‘afgepaste’ en ‘popachtige’ manier over het toneel. Terwijl er toch inmiddels met de nieuwe smaak in de keuze van toneelstukken een andere, natuurlijke manier van spelen is ingevoerd, met name door de grote acteur Hans Ekhof (1720-1778). Ekhof hield niet van keurig afgepaste schreden of een door dansmeesters voorgeschreven lichaamshouding, met dat kunstmatige optillen en laten vallen van de arm. Waarheid was zijn eerste regel, schoonheid vond hij van ondergeschikt belang. Tot zover schrijft Engel duidelijke taal. Ingewikkelder wordt het wanneer hij al die bewuste, onwillekeurige en vluchtige lichaamsbewegingen die het innerlijk van de mens weergeven, in toneelregels probeert te vangen. Zijn doel is niet alleen om de ouderwetse toneelspelers het juiste pad te wijzen, maar ook acteurs en actrices die menen dat zij zich louter op hun gevoel kunnen verlaten. Zij volgen de natuur, inderdaad, maar mét haar gebreken, zoals te zwakke of te overdreven bewegingen en stemgeluiden, haperende zinnen, verwarde uitdrukkingen, etc. De kunst moet hier de natuur verbeteren, zorgen dat woorden, spreektoon en beweging een harmonisch geheel vormen, en tezamen volmaakt overeenstemmen met de hartstocht, houding en het karakter.
De acteur op de afgebeelde plaat heeft het relatief gemakkelijk; hij verbeeldt de overgang van een rustende naar een werkzame toestand. Bovenaan zien we de ‘allerwerklooste houding’, herkenbaar aan het achterovergeleund zitten, de over elkaar geslagen benen en verborgen handen; de volgende houding is ‘de laatste onder de soort der rustenden, het naaste aan de werkzaamheid’: het hoofd is opgericht, de aandacht ergens op gevestigd, de voeten alvast stevig op de grond geplant, en de handen op de uit elkaar geplaatste knieën.
Het aanleren van deze ‘natuurlijke’ acteertrant vergt tijd en moeite. Maar Engel, zich de paradox goed bewust, beargumenteert dat de volmaakt natuurlijke bewegingen op den duur deel van jezelf worden. Acteurs die alleen hun gevoel gebruiken hebben dan het nakijken.

E. Koolhaas-Grosfeld

Startpagina

Contact

Disclaimer