Verklaring der plaat
De achttiende-eeuwse Hagenaren konden er alle dagen van genieten, van de kleurige aanblik van de Cent Suisses, de Zwitsers die deel uitmaakten van de ‘Huys trouppes’ van de stadhouder. Met acht tegelijk hielden zij 24 uur de wacht in het stadhouderlijk kwartier, samen met acht leden van de Hollandse Gardes du Corps, twee hellebaardiers, een sous-brigadier en een korporaal. Bracht de stadhouderlijke familie een bezoek aan de comedie dan stonden er twee Cent Suisses geposteerd bij de ingang van de vorstelijke loge.
De ‘Cent Suisses’ was een instelling die behoorde tot de hofhouding van Willem IV en vooral bedoeld was als ceremoniële omlijsting van de nieuw verworven waardigheid van erfelijk stadhouder. Slechts de helft was in actieve dienst, de andere helft bestond uit gepensioneerden die alleen bij plechtige gelegenheden of parades werd opgetrommeld. Door hun kostuums waren zij duidelijk te onderscheiden van het eveneens in Den Haag gestationeerde regiment Zwitserse gardes, dat onder het staatse leger viel. Dit regiment ging gekleed in blauwe jassen met witte belegsels, rode kragen en omslagen. De Cent Suisses zagen er nog feestelijker uit, in het quasi zestiende-eeuwse, opgepofte kostuum, dat de uitdrukking wilde zijn van de eeuwenoude standvastigheid en trouw aan vorst en oude zeden. De stof was in de lengterichting doorgesneden en ingezet met stroken van verschillende kleuren – ‘orange blanche bleu, der Ouden Vorstelijke Staatsche vlag en veldteken’, zoals Johannes Le Francq van Berkheij schrijft. De bewerkte stof, en ook de bonnet met pluim, gepofte broek en rozetten op de schoenen deden hem overigens sterker denken aan de oude Hollandse dracht dan aan die van de Zwitsers. Wat hem betreft hadden de Cent Suisses net zo goed de naam Cent Hollandais of Cent Bataves kunnen voeren. Klinkt hier iets door van Rousseaus kritiek op de vreemde krijgsdienst? ‘Un citoyen se doit à sa patrie’, schreef de Geneefse filosoof en die overtuiging zou langzaam maar zeker algemeen worden. Voor de Cent Suisses kwam het einde in 1795; de Zwitsers in krijgsdienst daarentegen beleefden van 1814 tot 1829 nog de restauratie.
Eveline Koolhaas-Grosfeld
Literatuur
H. Amersfoort, Koning en kanton. De Nederlandse staat en het einde van de Zwitserse krijgsdienst hier te lande 1814-1829, Amersfoort 1988
J. Le Francq van Berkheij, Natuurlijke historie van Holland, dl. III (1776) 504.
F. G. J. Ten Raa, ‘Het garnizoen van ’s-Gravenhage in de laatste helft der vorige eeuw’, Jaarboek Die Haghe (1900) 28-47.
|