Verklaring der plaat
‘Het is ongelooflyk voor die dezelve noit beschouwt hebben; men ziet'er in woestenyen, bergen, stroomen, vervalle gebouwen, steeden, gewolkte luchten, en andere zeldzaame gezichten,’ schreef de verzamelaar van zeldzaamheden Simon Schijnvoet (1652-1727) bij de prent die hij had laten maken voor D'Amboinsche Rariteitkamer (1705). In dit beroemde natuurhistorische werk beschreef de op Ambon gestationeerde VOC-koopman Georg Everhard Rumphius de schaaldieren, schelpen en gesteenten van het eiland. De prent laat een keur aan opmerkelijke stenen zien, deels afkomstig uit Schijnvoets kabinet en deels uit het kabinet van een bevriend verzamelaar. Deze zogenaamde figuurstenen leken door de natuur zelf van fraaie afbeelding voorzien te zijn en daardoor vormden zij gewilde verzamelobjecten. Een deel van de fascinatie bestond uit het feit dat zij zich bevonden in het schemerige grensgebied tussen kunst en natuur. In deze objecten leek de gebruikelijke verhouding tussen natuur en kunst te zijn omgekeerd. Hier was het niet de kunst die de natuur imiteerde, maar de natuur die de kunst imiteerde. De natuur leek zelf als kundig schilder de mooiste taferelen te produceren.
Op de prent zijn verschillende soorten figuurstenen te herkennen. Bijzonder populair waren de ‘boomstenen’, die allerlei vegetatieve vormen laten zien. Ook zijn op de prent voorbeelden van ‘landschapsstenen’ te zien, waarvan de tekeningen associaties opriepen met rotslandschappen of met steden in bergen. Andere exemplaren werden ‘tuinstenen’ genoemd omdat zij overeenkomsten toonden met plattegronden van tuinen, forten of eilanden. Naast deze meer reguliere figuurstenen liet Schijnvoet nog twee uitzonderlijke exemplaren afbeelden. Opmerkelijk is het kleine stuk Egyptisch marmer bovenaan de prent waarin Schijnvoet de gedaante van een biddende paus meende te herkennen. Deze had hij gevonden tussen stenen die afkomstig waren uit de wandversiering van een tempel nabij Rome. In het midden liet hij een grote Duitse agaat afbeelden met een grot waar het licht door verschillende openingen naar binnenvalt.
Rond 1700 waren er allerlei theorieën in omloop over het ontstaan van deze stenen. Rumphius dacht dat de bijzondere tekeningen onder invloed van de planeten tot stand kwamen. Met enige voorzichtigheid schreef hij de grillige en variabele vormen toe aan het veranderlijke en bedrieglijke karakter van de planeet Mercurius. Een andere verklaring voor de boomstenen werd geopperd door de jezuďet Athanasias Kircher. In zijn D'Onderaardse Wereld (1684) veronderstelt Kircher dat boomstenen totstandkomen doordat in de massa waaruit een steen gevormd wordt, resten van vegetatie zijn terecht gekomen. In 1735 kwam de Duitse predikant Friedrich Christian Lesser (1692-1754) met een verklaring voor boomstenen die de huidige opvatting benadert. In zijn Lithotheologie veronderstelt hij dat gekleurde, minerale sappen door de stenen trekken, waardoor tekeningen ontstaan die op bomen, of zelfs op boslandschappen lijken. Na deze verklaring benadrukt Lesser dat God, als wijs en kundig schilder, de hand in deze werken heeft, omdat hij zowel verantwoordelijk is voor de materie, als voor de natuurlijke processen waardoor de materie beweegt. Beschouw, zo maant hij de lezer, daarom de stenen niet als een grappig spel, maar als een genoegen voor de ogen, dat ons door de Schepper gegund is.
Bert van de Roemer
|