De
Achttiende Eeuw 39 (2007) nr.1
Aan den lezer
Ongeveer vijf jaar geleden werd de opzet en het uiterlijk van dit tijdschrift drastisch gewijzigd. Vormgeving en rubrieksindeling werden herzien en er kwam een nieuwe uitgever. Niet alleen de redactie zelf kan inmiddels met tevredenheid terugblikken, ook hebben we van heel wat lezers bemoedigende geluiden gehoord. Desondanks markeert dit nummer, het eerste van onze negenendertigste jaargang, opnieuw een overgang. Voortaan is De Achttiende Eeuw een peer reviewed tijdschrift. Daarnaast wordt het bij een andere uitgever gedrukt. Voor we u meer vertellen over de gevolgen van deze koerswijzigingen, wil de redactie stilstaan bij de afgelopen vijf jaar.
Op het moment van overgang van APA - Holland University Press naar Uitgeverij Verloren verscheen dit tijdschrift al tien jaar onder de titel De Achttiende Eeuw. Documentatieblad van de werkgroep achttiende eeuw. Meer dan alleen een documentatieblad voor de Werkgroepleden ambieerde het tijdschrift het platform te zijn voor de wetenschappelijke bestudering van de achttiende eeuw in Nederland en Vlaanderen. Aan die ambitie kwam na tien jaar geen einde. Wel was het medialandschap, ook onder academische periodieken, intussen sterk veranderd. Het bestuur van de Werkgroep en de nieuw aangetreden kernredactie van De Achttiende Eeuw hadden behoefte aan een grotere variatie in de bijdragen en wilden meer aandacht besteden aan de vormgeving. Dit voornemen kreeg vorm in de introductie van rubrieken als ‘Omtrent bronnen’, ‘De vertelde achttiende eeuw’, interviews, discussiestukken en een veel groter aantal illustraties. Bij deze wijziging heeft de redactie altijd de steun gekregen van de nieuwe uitgever, Verloren, met name in de personen van Thijs VerLoren van Themaat en Anja van Leusden. Mede namens het bestuur van de Werkgroep willen wij uitgeverij Verloren hartelijk danken voor de constructieve samenwerking. Na vijf jaar staat er, zo hopen wij, een veelzijdig, leesbaar en aantrekkelijk vormgegeven tijdschrift en is bovendien de ruime achterstand in te verschijnen afleveringen geheel ingelopen.
De wereld van het academische publiceren is echter druk in ontwikkeling. Universitaire onderzoekers worden in toenemende mate afgerekend op het aantal publicaties dat zij ‘scoren’, en op het niveau daarvan. Deze ontwikkeling - die zich in de sociale wetenschappen en de Angelsaksische wereld al veel eerder heeft voorgedaan -heeft grote gevolgen gehad. Deze gelden niet alleen de individuele onderzoeker, maar evenzeer de wetenschappelijke tijdschriften zelf. Concreet betekende dit dat het bestuur van de Werkgroep 18e Eeuw en de redactie van De Achttiende Eeuw voor de keuze stonden mee te veranderen en een nieuw systeem van beoordeling van artikelen in te voeren, of het risico te lopen dat de meest belangwekkende publicaties over ‘de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden en de overzeese gebiedsdelen in de lange achttiende eeuw (1670-1830)’ elders worden aangeboden. Daarom is besloten om met ingang van dit nummer te werken met een peer review systeem. Deze voorgenomen wijziging viel samen met externe omstandigheden die het voor de Werkgroep aantrekkelijk maakten over te stappen naar een andere uitgever. In de HoLaPress hopen bestuur en redactie een enthousiaste nieuwe partner gevonden te hebben. In overleg met de vormgevers is de redactie erin geslaagd de zichtbare gevolgen van deze overgang tot een minimum te beperken. Zo blijven de rubrieken waar u als lezer inmiddels aan gewend bent bestaan, evenals de illustraties. Wat wel met ingang van dit nummer verandert, is de opmaak van de artikelen, die nu beginnen met de Engelstalige samenvatting en waarbij achteraan een literatuurlijst en het adres van de auteur is opgenomen. Voor toekomstige auteurs zal de nieuwe opzet vooral merkbaar zijn in het uitvoerige commentaar dat zij van de peer reviewers ontvangen. Meer informatie over de redactionele procedures en de instructies voor de auteurs treft u aan op www.18e-eeuw.nl. Bestuur en redactie hopen en verwachten dat het kwalitatief hoogstaande aanbod aan artikelen, die prettig leesbaar en visueel aantrekkelijk zijn, De Achttiende Eeuw zal blijven kenmerken. Wij wensen u gedurig leesplezier.
Namens bestuur en redactie,
Inger Leemans, Edwin van Meerkerk en Tom Verschaffel
Jacques Bos
‘Verval, deugd en Nederlandse eigenheid. Karakter als politiek-antropologische categorie in de achttiende eeuw’
In the course of the eighteenth century ‘national character’ became a central concept in the Dutch public debate. This reflects the growth of a Dutch national identity, transcending regional identities and defined in contrast with the perceived traits of surrounding European peoples. This article, however, does not focus on the content given to the term ‘national character’, or on the specific nature of the traits that the Dutch ascribed to themselves. Instead, attention is paid to more structural aspects of the discussions on national character in the eighteenth-century Netherlands. On the one hand, these discussions should be regarded as part of a more general discourse on character comprising a wide range of psychological and anthropological knowledge. In this discourse characters were primarily regarded as transparent types that could be described by enumerating a limited number of distinctive traits. Furthermore, this early modern configuration of human science had an important moral dimension: the description of characters was never strictly separated from their evaluation. In the second place, the Dutch debate on national character should be connected with the eighteenth-century discussion on republicanism, in which classical conceptions of civic virtue competed with more modern notions of civility and politeness that emphasised the cultural dimension of citizenship.
Christophe Madelein
‘Kant in de fout? Het verhevene in de Nederlanden’
Despite the widespread international interest in the sublime, particularly in the (long) eighteenth–century conceptions of it, there is as yet no systematic study of Dutch texts on the sublime. In this article I give the outlines of a current research project trying to fill that gap. In the late eighteenth century there are Dutch translations of German and English texts on the sublime, but no original Dutch contributions. At the close of the century the Dutch theologian and philosopher Paulus van Hemert starts spreading the Kantian philosophy, and it is in these circles that the first original Dutch texts on the sublime are to be found. While Van Hemert himself stays close to Kant, fellow Kantians J.F.L. Schröder and T. van Swinderen tend to choose a more popularizing tone. Johannes Kinker develops, out of Kant’s critical philosophy, an original variety of aesthetic idealism. The resistance to Kantian and idealistic philosophy is clear in contributions by Matthijs Siegenbeek and Willem Bilderdijk, who both return to the ancient Greek roots of the sublime, albeit in a completely different way. I argue that a thorough understanding of these texts (both the late-eighteenth-century translations and the early-nineteenth-century original contributions), and of their specificity in European cultural history, must be based on a comparison with the contemporary conceptions of the sublime in the wider European context.
|