|
De achttiende eeuw in de noordelijke en zuidelijke Nederlanden
Dat de 'gouden' zeventiende eeuw een rijke culturele erfenis heeft nagelaten, weten de meeste Nederlanders inmiddels wel. Maar dat het erfgoed van de lange achttiende eeuw - de periode tussen 1670 en 1830 - van minstens even groot (zo niet van groter) belang is geweest, zal velen ontgaan. Vandaar de taak die de Werkgroep 18e Eeuw zich stelt: het onder de aandacht brengen van die lange, machtig interessante achttiende eeuw.
De Werkgroep bestudeert de achttiende eeuw niet alleen in de volle lengte, vanaf de tijd van de uiterst omstreden filosoof Baruch Spinoza tot en met die van de niet minder controversiële dichter Willem Bilderdijk. Zij doet dat ook in de volle breedte, van geleerde en dilettant tot broodschrijver en kwakzalver, van compagniesdienaar tot slaaf, van dame tot dienstmeid, van pruik tot pet.
De achttiende eeuw is in het verleden wel eens gezien als een periode van neergang na de Gouden Eeuw. Dat oordeel lijkt vooral een kwestie van smaak, van overgeleverde beeldvorming, van napraten en wellicht zelfs van misplaatst nationalisme. Vaststaat in elk geval dat de achttiende eeuw aan herwaardering toe is. Kunstenaars als Cornelis Troost en Jan Ekels II zijn minder beroemd dan Rembrandt en Vermeer. Of dat terecht is laten we in het midden; feit is dat zij niet minder interessant zijn, en als tijdsbeeld niet minder aansprekend. Nog altijd neemt de belangstelling voor de Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw toe - voor schrijvers als Justus van Effen, Pieter Langendijk of Hiëronymus van Alphen, of het befaamde auteursduo Betje Wolff en Aagje Deken. Gelegen op het kruispunt van Frankrijk, Engeland en Duitsland, was de Republiek der Verenigde Nederlanden altijd al een broed- en verzamelplaats van ideeën.
Roept de achttiende eeuw bij Nederlanders wel eens het beeld van crisis en neergang op, dan zien we in België net het omgekeerde. Op school leren Belgen de eeuw kennen als een tijd waarin het ‘land’ – op dat ogenblik nog een los verband van gewesten met een gemeenschappelijke vorst – zich herpakte en de ellende, teweeggebracht door de scheiding tussen Noord en Zuid, achter zich wist te laten. De aanloop tot dit herstel verliep evenwel in mineur. In de laatste decennia van de zeventiende eeuw deden de Zuidelijke Nederlanden hun reputatie van ‘slagveld van Europa’ nogmaals alle eer aan. De territoriale ambities van Lodewijk XIV stelden het gebied zwaar op de proef, met het verwoestende bombardement van Brussel in 1695 als memorabel dieptepunt.
Maar met het aantreden van de Oostenrijkse Habsburgers, die in 1713 de soevereiniteit over het gebied van de Spaanse tak hadden overgenomen, kwamen er betere tijden in het verschiet.Onder de lange en stabiele regering van Maria Theresia (1740-1780) kreeg de economie krachtige stimulansen. De modernisering van het staatsapparaat, een doordachte fiscale politiek en belangrijke infrastructuurwerken creëerden mede de voorwaarden die de voortrekkersrol van België in de negentiende eeuw op industrieel vlak mogelijk maakten. Er was echter niet alleen het ‘nijvere’ België. De achttiende eeuw bracht ook een schitterende hofcultuur voort. Maximiliaan-Emmanuel van Beieren, de laatste landvoogd van de Spaanse Nederlanden, was een prachtlievend barokvorst van het zuiverste water. Lichtvoetiger ging het eraan toe onder Karel van Lotharingen. De flamboyante prins Charles-Joseph de Ligne, door zijn biografen getypeerd als le charmeur de l’Europe, hield aan het hof van de populaire gouverneur-generaal zoete herinneringen over.
Door de relatieve vrijheid van drukpers gold de Republiek in de achttiende eeuw meer dan ooit als doorgeefluik, als internationale entrepot van allerhande drukwerk. Geleerden van allerlei pluimage vonden er onderdak, deels omdat ze aangetrokken werden door het rijke wetenschappelijke leven (zoals de plantkundige Carolus Linnaeus), deels omdat ze in eigen land monddood waren gemaakt (zoals de hugenoot Pierre Bayle). En op religieus gebied was er in Nederland zowat alles te koop. De Verlichting kwam er in alle varianten voor, van radicaal tot gematigd, van progressief tot conservatief, van pornografisch tot preuts.
De vele handelsnederzettingen in de Oost en de West gaven de Nederlandse Republiek internationale allure. Achttiende-eeuwse coryfeeën als Montesquieu en Adam Smith roemden de Nederlandse welvaart, die zeker tot de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) standhield. Toen liepen de politieke spanningen tussen patriotten en prinsgezinden hoog op. In die roerige jaren werden de blauwdrukken van de moderne Nederlandse samenleving gemaakt. En niet alleen van Nederland - ging de revolutie van de patriotten niet vooraf aan de Franse Revolutie? In pamfletten als het beruchte Aan het volk van Nederland werd gepleit voor de representatie van burgers in de politiek. Dat na deze onrustige jaren van triomfantelijk republikeins zelfbesef een koninkrijk uit de grond werd gestampt, maakt die periode des te interessanter.
Ook in het zuiden was de achttiende eeuw op het intellectuele en religieuze vlak rijk aan contrasten. Het gangbare beeld van verstarring, vaak verbonden met de Leuvense universiteit als bolwerk van ultramontanisme, is eenzijdig en overtrokken. Onder Maria Theresia kwam er een versoepeling in de censuur. De werken van Voltaire en Rousseau werden in Brussel verkocht en gelezen. Verder huisde de stad tal van verlichte regeringsfunctionarissen en ambtenaren. In Luik, hoofdstad van het naburige prinsbisdom, was de invloed van de verlichte ideeën nog groter. Het verzet tegen de bisschoppelijke machtsaanspraken schiep een klimaat waarin de ideeën van 1789, ook in hun geradicaliseerde, jacobijnse variant, goed konden gedijen. De Verlichting inspireerde niet alleen het politieke denken. Daarnaast waren er sociale hervormers. Veelbesproken is burggraaf Vilain XIIII, die zich boog over problemen van pauperisme, werkloosheid en criminaliteit. Met zijn nieuwe, ‘panoptisch’ geconstrueerde gevangenis trok hij de aandacht van Jozef II. De achttiende eeuw gaf tevens het ontstaan aan de taalkwestie, die zich in de verdere geschiedenis van België zou ontpoppen tot een voor het land levensbedreigende splijtzwam. Geconfronteerd met de snel oprukkende verfransing, vooral dan te Brussel, hield de progressieve advocaat J.B.C. Verlooy reeds aan de vooravond van het revolutionaire tijdvak een vurig pleidooi voor het Nederlands. De natievormende kracht van de taal zag hij, net als Herder in Duitsland, glashelder in.
Toen de drieste hervormingspolitiek van Jozef II in 1789 uitmondde in de Brabantse Omwenteling, tekenden zich twee kampen af: aan de ene kant de conservatieve, aan de standenmaatschappij verknochte Statisten, aan de andere kant de meer burgerlijk-democratisch georiënteerde Vonckisten. De eersten haalden de overhand, maar het is te eenvoudig om de hele revolutionaire dynamiek boudweg als een ‘conservatieve opstand’ af te doen. De inval van de Franse legers in 1792 en de annexatie in 1795 schudden de politieke landkaart grondig door elkaar, maar de spanningen en breuklijnen die reeds in 1789 aan de oppervlakte gekomen waren, bleven hun stempel drukken op de Belgische politiek, tot op de dag van vandaag. Redenen te over dus om zich in de boeiende geschiedenis van de achttiende eeuw onder te dompelen.
|